|
De constante hoekstelling:
De constante hoekstelling valt eigenlijk in drie delen uiteen: we beginnen met het eerste deel :
(1) Gegeven een cirkel met middelpunt M , de punten C, A en P liggen op de cirkel zodat CP diameter is van de cirkel. Zie figuur.
Verder is Ð AMP = Ð M1 gelijk aan a° . ( a is een willekeurig getal)
Nu luidt de Stelling: Ð C = ½ a°.
Dus met andere woorden: Ð ACP is de helft van de middelpunts-
hoek: Ð M1
BEWIJS: De lijnstukken CM , AM en MP zijn alledrie even lang
want ze zijn alle gelijk aan de straal van de cirkel.
D CMA is gelijkbenig met M als top.
Voor deze tophoek geldt : Ð M2 = 180° - a°.
De basishoeken van D CMA zijn ÐC en ÐA1
en er geldt dus: ÐC + ÐA1 + Ð M2 = 180° .....................(1)
De basishoeken zijn evengroot dus ÐC + ÐA1 = 2ÐC .
Invullen in formule (1): 2ÐC + 180° - a° = 180° =>
2 ´ ÐC = a° => ÐC = ½ a°. [einde bewijs deel 1]
Nu het tweede deel:
Gegeven een cirkel met middelpunt M , de punten C, A en B liggen op de cirkel zodat M binnen de benen van hoek C ligt. Zie figuur 2 hiernaast
Verder is Ð AMB gelijk aan a° . ( a is een willekeurig getal)
Nu luidt de stelling opnieuw: Ð C = ½ a°.
BEWIJS: Trek de middellijn CM deze snijdt de cirkel in een punt P
Nu kan je twee figuren zien : eentje boven de lijn CP en eentje onder
de lijn CP .
Als je naar het figuur boven CP kijkt dan krijg je dezelfde situatie
terug als die van het eerste deel van de stelling.
Stel ÐAMP = dº , dan is dus volgens het eerste deel van de stelling:
ÐACP = ½ dº
Als je naar het figuur onder CP kijkt dan krijg je ook dezelfde situatie
terug als die van het eerste deel van de stelling.
Stel ÐBMP = eº , dan is dus volgens het eerste deel van de stelling:
Ð BCP = ½ eº
Aangezien dº + eº = aº en Ð ACB =½ dº + ½ eº volgt dat
Ð ACB =½aº . Voor Ð ACB kunnen we gewoon Ð C schrijven:
Dus Ð C = ½ a° [einde bewijs deel 2]
Ga naar volgende blz
|
|